13 februari 2020

Verkouden



“Hoe kan dat nou?” vraag iedereen die ik vertel dat ik snipverkouden ben. Ja, dat weet ik ook niet. Koud is het hier niet, maar virusjes heb je overal, ook hier. En als je weerstand wat minder is, dan wordt je ziek. Zo simpel is dat. Dus liep ik een week lang te snotteren, te niezen en te kuchen. Dat is hier net zo vervelend als in de kou, overigens.
Koorts krijg je hier ook, alleen merk je daar minder van. Je hebt het nóg warmer dan normaal, maar het duurt even voor je doorhebt dat deze temperatuur van binnenuit komt. Koelen is wat lastiger, maar als het heel erg wordt, kunnen wij vrij simpel een duik in de zee nemen. Wat ik overigens niet gedaan heb, want om heel eerlijk te zijn ben ik al zo aan de warmte gewend, dat ik het koud vind als ik het water uitkom. En ik vroeg me af of ik dat er wel bij kon hebben. Sowieso heb ik nooit zin om nat te worden als ik me niet lekker voel. Geen idee waar dat vandaan komt. Een soort instinctieve behoefte om warm te blijven, misschien?
Omdat ik bang was heel erg ziek te worden (je weet maar nooit of je dat ene heftige virusje te pakken hebt), deed ik een paar dagen heel erg rustig aan. Alleen het hoognodige en verder vooral zitten, lezen, breien en liters thee drinken. Eigenlijk was ik van plan om na één dag weer beter te zijn. Vrijdag mocht ik van mezelf wel rustig aan doen, maar in het weekend wilde ik in de tuin aan de slag. Ik heb bomen die geplant moeten worden en gaten graven om ze te planten is hier wat ingewikkelder dan het in Nederland was. Denk je dat klei lastig is? Probeer eens een gaatje te graven in rotsbodem. Wedden dat je terug verlangt naar die klei? Ik wel. Nou ja, niet helemaal, want in deze hitte zou klei ook keihard zijn. Maar je begrijpt wel wat ik bedoel. Ik moest beter en uitgerust zijn.
Helaas was ik zaterdag nog zieker, dus bleef ik nog maar een dagje zitten, lezen en breien. En toen pakte ik voor de zekerheid de zondag er ook nog maar bij. Eigenlijk helemaal zo vervelend nog niet.
Op maandag voelde ik me weer een beetje mens, maar toen werd echtgenoot ziek. Daar maakte ik me al verschrikkelijk zorgen over, want hij mankeert nu eenmaal van alles. Laat hij nou een dag later weer beter zijn? Gewoon, een klein verkoudheidsvirusje, niets om je druk over te maken.
Pff. Ik geloof dat mijn lichaam me iets probeert te vertellen. Mijn weerstand is prut en dat komt hoogstwaarschijnlijk doordat ik moe en gestrest ben.
Misschien moet ik toch meer tijd nemen om te zitten, te lezen en te breien. En dan vooral zonder te piekeren over alles wat ik eigenlijk in plaats daarvan zou moeten doen. Ontspannen!
Nou ja, één ding scheelt. Dat is hier, met altijd zon en warmte, strand en zee op loopafstand, een fantastisch uitzicht en de levenshouding van de meeste eilandbewoners als voorbeeld dan weer een heel stuk gemakkelijker dan het in Nederland was…

6 februari 2020

Een boottocht naar Klein Curaçao

Het gekke van ergens (willen) wonen, is dat je veel minder gericht bent op de toeristische attracties. Zo heb ik in Gouda nooit de glas-in-loodramen van de St. Jan bewonderd, Kaarsjesavond meegemaakt of het pijpenmuseum bezocht. En hier op Curaçao is het al niet veel anders.
Oké, we zijn dol op Shete Boka en Watamula, die tellen wel mee. En we gaan ook regelmatig naar het strand. Maar de struisvogelfarm, de aloë vera kwekerij, Landhuis Knip, de Christoffelberg...
Tot mijn spijt moet ik bekennen dat het daar nog steeds niet van gekomen is.
Maar omdat een van de dochters een paar weken bij ons logeerde, hebben we in ieder geval één van de toeristische attracties gedaan.
Voor het eerst in al die tijd die wij al op het eiland doorgebracht hebben, maakten we een boottocht naar Klein Curaçao. Dat is een onbewoond eilandje ten oosten van Curaçao, die op de vlag gesymboliseerd wordt door de kleine ster. De boot vertrekt dan ook vanuit het oosten. Aangezien wij in het uiterste westen wonen, moesten we er héél vroeg voor op. Maar dat was het wel waard.
De boottocht was fijn en we zagen eindelijk Oostpunt. Daar kun je namelijk over land niet komen. Eenmaal op volle zee zagen we een dolfijn zwemmen en dat was ook geweldig.
Als ik heel eerlijk ben, viel het eilandje me in eerste instantie een beetje tegen. Men had het enorm opgehemeld. “Een echt bounty-eiland, met witte stranden en palmbomen.” Dat was het ook, maar het zag er eigenlijk niet zo heel anders uit dan mijn favoriete stranden op het grote eiland.
Wat wel weer fijn was, was dat je er niet áf kon voor de boot weer vertrok. Ik moest dus wel rust houden. Op een bedje liggen en een beetje mijmeren. Je kón wel een wandeling maken naar de vuurtoren, maar daar hadden we geen zin in. En die bedjes waren er toch, want bij Mermaid Boattrips hebben ze een eigen strandhuis met bedjes, schaduwplekken en (ook niet onbelangrijk) toiletten.
We kregen als een heerlijke barbecue. Complimenten voor de organisatie, die zorgden voor eten dat de dochter en ik mogen hebben – we hebben allebei nogal wat allergieën. Wat wel grappig is, is dat iedereen er vanuit gaat dat we ook qua hoeveelheid weinig eten. Integendeel, eigenlijk. We hadden dus best ieder twee stukken kip gelust. Maar verder was het perfect geregeld.
De dochter ging snorkelen en echtgenoot en ik vielen in slaap. En toen was het alweer tijd om naar huis te gaan.
Voor we vertrokken genoten we nog even van een paar schildpadden die naast de boot zwommen. Onderweg zagen we vliegende vissen. Geen dolfijnen meer, helaas, maar een mens kan niet álles hebben.






p.s. deze post is niet gesponsord, maar wat mij betreft is deze boottocht met Mermaid Boattrips absoluut een aanrader

16 januari 2020

Gemier



‘En toch heb ik bewondering voor ze,’ zei ik tegen echtgenoot toen we weer een paar kattenbrokjes uit de poten van een troep mieren probeerden te bevrijden en ons voor de zoveelste keer voornamen die laatste twee brokjes die Poes altijd laat liggen, eerder weg te gooien.
Niet dat je echt last van die mieren hebt, maar het staat toch erg slordig als ze in colonnes door je huis lopen. En bovendien ruimen ze niet alleen overgebleven brokjes op. Ze storten zich als het even kan ook op menseneten.

Het zijn heel, heel kleine mieren, dus als je de dop niet goed op de pot met rijst draait, vind je er gegarandeerd een mier in terug. En pas geleden had ik – zoals gewoonlijk – een pak gehakt in krimpfolie op het aanrecht gelegd om te ontdooien en toen hadden ze zich door de dubbele laag plastic heen gewurmd en waren ze aan het bekijken hoe ze het gehakt eruit konden krijgen.

Zo langzamerhand beginnen we een beetje te begrijpen hoe die beestjes werken. Ze hebben overduidelijk speciale mieren die in hun eentje op pad gaan om eten te zoeken, want je ziet ze pas in grotere groepen als er echt iets te halen valt. Of misschien gaan ze met z’n tweeën, zodat er een bij de buit kan blijven, terwijl de ander de rest gaat halen. Op afstand communiceren kunnen ze tenslotte niet. Denk ik tenminste. Of onderschatten we die beesten?

Ik liep hierover te mijmeren toen we naar bed gingen en werd wreed uit mijn mierige overpeinzingen opgeschrikt toen onze dochter, die een paar weken bij ons logeert, schreeuwde dat er een beest op haar bed zat. Ze bedoelde overduidelijk niet de kat, want daar is ze heel goed mee bevriend. En hij met haar, want je zou er toch ineens een mens bij hebben dat lijkt op de baas en de vrouw, zodat je haar durft te vertrouwen en die dan ook nog eens wél heel veel tijd heeft om je te aaien. Een kattenhemel op aarde.

Nee, Poes was het niet. Het was een kakkerlak. Wij schrikken daar al lang niet meer van. Niet dat we er zoveel hebben, maar zo af en toe duiken ze ineens op. Tot mijn grote geruststelling ook als ik net het hele huis grondig gepoetst heb, dus aan mijn schoonmaakkwaliteiten ligt het niet.
We pakten de spuitbus erbij en stuurden de kakkerlak naar de eeuwige afvalhopen. Met stoffer en blik verwijderden we hem uit de kamer en omdat alle deuren al op slot zaten, gooide ik hem uit het enige raam zonder hor de porch op. Zien we morgen wel, dacht ik nog.

Maar natuurlijk vergat ik dat. Tot ik iets opraapte dat in die hoek gewaaid was en zag dat de mieren het restant van de kakkerlak inmiddels gevonden hadden. Nog niet alle hulptroepen waren gearriveerd, maar een stuk of zes mieren waren alvast begonnen met bekijken hoe ze het – voor hen enorme - beest konden verplaatsen. Tot mijn verbazing deden ze dat door aan de voelsprieten te trekken. Ze waren met te weinig om er beweging in te krijgen, maar probeerden het van alle kanten, want je weet nooit of zo’n vrachtje ineens toch gaat schuiven.

Ik had eigenlijk wel iets beters te doen, maar ik heb er toch zeker tien minuten naar zitten kijken, voor ik me door de ijver van die mieren liet inspireren en ook eens iets nuttigs ging doen. Toen ik een paar uur later terug kwam, was de kakkerlak weg.

Ik neem aan dat de hulptroepen hebben geholpen met sjouwen.
Of met trekken. Want ik had toch echt de indruk dat die mieren zo slim waren dat ze snapten dat trekken aan een touw dat ergens aan vastzit helpt om dat voorwerp te verplaatsen. Nog even en ze vinden het wiel uit…

9 januari 2020

Bekijken en bekeken worden



“Wie gaat er mee naar het strand om het nieuwe jaar in te luiden?” Als er zo’n bericht in de app-groep verschijnt, zijn wij meestal de eersten die zeggen dat we meedoen. We wonen nu toch al een jaar fulltime op Curaçao, maar dat enthousiasme slijt niet. Nog niet in ieder geval.
We waren de week ervoor ook al naar het strand geweest, met z’n tweeën. Deze keer om te vieren dat we weer thuis waren. En om nog één laatste stranddag in 2019 te houden. Niet dat we er een reden voor moeten verzinnen, maar mét reden is het gewoon nog net een tikje leuker.
Wat ik zo fijn vind van het strand is dat er altijd van alles te zien is. Toen we met z’n tweeën waren heb ik me heerlijk zitten verbazen over een Amerikaans gezin dat met enorme tassen aankwam. Oudste zoon en dochter deden verwoede pogingen om twee parasols stevig in de grond te krijgen. Dat kun je vergeten op Curaçao, want het strand bestaat uit een dunne laag los zand op rotsen. En bovendien waait het er stevig. Er zijn overal palapa’s waar je onder kunt gaan zitten (als je op tijd bent) en op dit strand waren parasols te huur die met een stevige betonnen voet in de grond stonden. Maar dat vonden ze blijkbaar te duur. Dus stapelden ze stenen en zat de oudste jongen het grootste deel van de dag met de parasol in zijn hand geklemd. Dat vond hij niet erg, want hij wilde toch alleen maar lezen. Pa en kleinere jongen bliezen ondertussen een surfplank op en dobberden daar tien minuten op rond tot ma het ding claimde. Zij ging erop staan en peddelde naar de boeienlijn waarna ze uren (werkelijk uren) heen en weer bleef roeien, tot ze weer naar huis gingen. Ondertussen speelden de rest van het gezin (met uitzondering van de oudste jongen die dus alleen maar met de parasol in zijn hand zat te lezen) met een bal. Ze waren werkelijk onvermoeibaar. En na drie uur pakten ze de hele boel weer in die enorme tassen en weg waren ze weer. Heel apart, maar wel boeiend om naar te kijken.
Afgelopen zaterdag waren wij degenen die bekeken werden. Er zaten zelfs mensen achterstevoren om ons goed te bestuderen, dat zag ik toen ik terugkwam van een paar baantjes zwemmen. Wat er zo boeiend aan ons was, weet ik niet. We waren met een stuk of vijftien mensen. Een groot deel daarvan was Amerikaans en dus (ja, generaliserend, maar in dit geval absoluut waar) zeer aanwezig. Daarnaast waren er twee Duitsers, twee Belgen, een Turk en twee Nederlanders (wij dus). Een zeer gemêleerd gezelschap, inderdaad, maar daar staan we zelf eigenlijk nooit bij stil. Iedereen spreekt Engels, de één wat beter dan de ander, maar we begrijpen elkaar allemaal prima en verschillen in achtergrond en levenshouding worden gemakkelijk overbrugd, zeker met een biertje en de barbecue erbij.
Ja, misschien is dat toch wel erg boeiend om te zien. Wereldleiders zouden er een voorbeeld aan moeten nemen….

2 januari 2020

Oud & Nieuw op Curaçao

Allereerst voor iedereen die dit leest: een heel gelukkig nieuwjaar!


Nieuw jaar, nieuwe kansen.
Zo voelt het voor mij altijd, ondanks dat ik op mijn leeftijd toch zou moeten weten dat die datum er niet toe doet. Maar ach, het kan ook weinig kwaad om dat wel zo te voelen, als je maar niet al te teleurgesteld bent dat het leven niet ineens op magische wijze veranderd is na 1 januari.
Sowieso is die eerste dag van het nieuwe jaar nooit mijn beste dag, want de dag ervoor ga je nog even uitbundig feesten en dat merk je toch echt wel de dag erna.
Dit jaar waren we voor het eerst op het eiland met Oud en Nieuw. En daarom besloten we ons vol in het feestgedruis te storten (nou ja, op onze manier dan). Dat feestgedruis begint hier op Oudjaarsdag al ’s middags. In Pietermaai (net voorbij Punda, het oude centrum van Willemstad) wordt al een paar jaar een paar-miljoen-klapper afgestoken en daaromheen is een compleet straatfeest. Hoe laat de herrie begon kon niemand ons vertellen. Twee uur, drie uur… Caribische tijd. ’s Middags.
Wij liepen er al om een uur of een. Aten een patatje bij een kraampje, dronken wat water bij een andere kraam, waar een kennis achter stond. Liepen nog maar een rondje, gingen even in de schaduw zitten en liepen nog maar eens een rondje. Het was al ruim voorbij twee uur toen we zagen dat men de klapper begon uit te rollen. We vonden een plaatsje aan het hek, in de schaduw. Het spektakel liet nog even op zich wachten, maar we stonden er goed. Rond half vier begon het dan eindelijk. In de verte hoorden we de eerste klappen al en ik maakte me klaar om het allemaal te filmen. Niet dat ik verwachtte dat er veel te zien was, maar ik probeer een betere blogger te worden en dingen vast te leggen voor mijn lezers.
Er renden een bewaker en een man met een brandspuit voor de vlam uit en daarachter zag je vonken. En daarachter… een enorme rookwolk. De wind waaide precies in de richting van de straat en de rookwolk haalde al snel de knallen in. En toen kwam ik erachter dat ik niet één, maar twee handen te kort kwam. Ik wilde filmen, maar ook allebei mijn oren bedekken én ik had graag een hand voor mijn mond willen houden tegen de rook. Recht voor ons lag de klapper opgerold, maar we wachtten het effect daarvan maar liever niet af. We stikten allebei bijna en zijn zo snel we konden weggerend. Maar goed ook, hoorde ik achteraf. Ik had nog net wat vonken gevoeld, maar vorig jaar schijnt het haar van een vrouw vlamgevat te hebben en toen haar man het probeerde te doven, vloog zijn shirt in brand.
Gelukkig stonden we vlakbij een stuk braakliggend terrein dat grensde aan de zee. Even frisse lucht. Even ademhalen en wachten tot de rookwolk voorbij was.
Het straatfeest ging nog lang door, maar wij waren er wel een beetje klaar mee. We aten wat bij ons een barbecuerestaurantje waar we vaker komen en dronken nog wat in de stad bij een bar waar veel kennissen waren en gingen daarna vóór de grote drukte begon naar Blue Bay, waar we bij de strandbar nog meer kennissen ontmoetten. Het vuurwerk om zeven uur (Happy Dutch New Year! riepen al onze Amerikaanse vrienden) was minimaal en dat om twaalf uur mooi, maar erg kort.
Maar dat gaf niet. We hadden ons portie die dag wel gehad.