4 maart 2014

Een redder in nood

“We zien elkaar terug in de hemel.” Vastbesloten knikte de man en we konden niets anders doen dan het bevestigen. Want dat was niet het moment voor een discussie over levensbeschouwelijke zaken.
Die uitspraak paste wel bij hem, want hij was in onze ogen dan ook een soort engel. Niet de bijbelse soort, maar het type mens dat soms ineens uit het niets opduikt om je spontaan te helpen.

We wilden eigenlijk helemaal niet bij de Gran Marcha gaan kijken. Want, dat schreef ik al eerder, we houden niet zo van wachten en plekjes bezet houden en dat soort dingen. Maar toen we onderweg naar het westen voor de vijfde keer bij wegafzettingen en parkeerterreinen belandden, besloten we toch maar even te gaan kijken. En stonden vervolgens twee uur bij een hek ons mooie plekje vooraan bezet te houden.

“Veel water drinken en goed smeren”, raadde een meisje uit de voorstoet dat een sigaret bij echtgenoot bietste ons aan. Dat wisten we. Gelukkig was er water te koop, want we hadden ons natuurlijk niet goed voorbereid op deze actie. Daar lag het ook niet aan, dat ik me na een tijdje toch knap naar ging voelen. Dat heb ik wel vaker als ik niet veel gegeten heb en lang moet staan. En natuurlijk zullen de warmte en de brandende zon niet echt positief effect gehad hebben. Maar ik weigerde eraan toe te geven, dronk nog wat water en kauwde wat op kauwgumpjes die we gekregen hadden van de voorstoet. Zo noem ik dat, geen idee hoe het officieel heet, maar je ziet het in Nederland ook bij Sinterklaasoptochten. Als je denkt dat het eindelijk begint, komt er eerst een berg reclameauto’s en mensen die rommel uitdelen. Logisch, want als ze erachter aan komen, kijkt niemand meer. Al snap ik niet helemaal waarom ze er niet gezellig tussen lopen, maar goed, dat terzijde.

Het ging dus redelijk en ik genoot van mooie wagens en de kleurige kostuums. Ik genoot wat minder van de harde muziek. En nu niet denken dat ik me aanstel. Vijftien van die enorme boxen achter op een vrachtwagen en dan op volledige sterkte. Dat is een hoop decibellen. En dan bij elke deelnemer, dus dertig keer. Maar na de tiende stonden we niet meer op dat mooie plekje. Want ik had al een tijdje last van koud zweet en toen ik ineens een echte koude stroom langzaam van mijn benen naar mijn nek voelde trekken, wist ik dat we daar weg moesten voor het mijn hoofd bereikte. Want anders was ik de zoveelste domme toerist geweest die plat ging. Lokale mensen gaan namelijk niet in de zon staan wachten. Die huren een tribune, meestal een simpele overkapping met tuinstoeltjes erin, of zetten hun stoeltjes langs het hek en houden een parasol boven hun hoofd. Wist ik wel, maar wij waren helemaal niet van plan geweest om te gaan kijken, dus al hadden we tuinstoeltjes en een parasol gehad, dan had ik die nog niet bij me.

Op het eerste plekje waar schaduw was, liet ik me op de grond zakken. Ik kon ruiken dat het niet bepaald een schoon plekje was, maar dat kon me even niet schelen. Zitten, in de schaduw, dat was het enige waar ik aan kon denken. Ik had geen idee hoe we bij de auto moesten komen, want om die te bereiken moesten we nog een heel eind lopen, via een weg die nogal steil omhoog ging. Echtgenoot vertelde later dat hij overwoog om te proberen of ik bij de laatste wegafzetting kon komen, zodat hij me met de auto op kon pikken.

Maar toen stond hij daar ineens, onze engel in mensengedaante. Onze redder. In tamelijk aangeschoten toestand, dat wel. Maar toch. In gebroken Nederlands vroeg hij of we het carnaval nog wilden zien. In de schaduw, op een stoel. Die stoet kon me niet zoveel meer schelen, maar rest sprak me wel aan. Dus gingen we met hem mee, een klein stukje verderop. Hij zette zorgzaam een stoel voor me neer en nog een tweede voor echtgenoot. En wees dat we tussen de mensen voor ons (die in een gehuurde tribune zaten) het carnaval konden zien. Hij gaf echtgenoot een koud biertje en ik dronk de rest van ons water op.

En toen hij zag dat ik nog steeds zat te trillen ging hij “sopi iguana” voor ons halen. Leguanensoep. Inderdaad. Eén van die dingen die je “ooit moet proeven”, maar die zeker niet op je verlanglijstje staan als je draaierig en misselijk bent. Maar het was vijf uur en ik had om twaalf uur voor het laatst gegeten, dus ik vond het verstandig om toch maar wat te nemen. En als ik niet te goed naar het stuk leguaan keek dat erin dreef (te herkennen aan de zwarte schubbenhuid), ging het best. Sterker nog, het was gewoon lekker. Hopi bon, zoals ik de man, niet taalkundig correct (denk ik) maar wel goed bedoeld, later verzekerd heb. Want ik weigerde een tweede kom, omdat ik echt genoeg had en hij dacht dat ik liever gewoon vlees had. Maar dat was dus niet zo.

Heerlijk uitrustend op dat stoeltje in de schaduw heb ik dus toch de rest van de optocht nog kunnen zien (en horen). Onze weldoener bleef echtgenoot en mij biertjes aanbieden, die we grotendeels geweigerd hebben. Dan dronk hij ze zelf maar leeg. Hij vertelde en vroeg van alles, maar was zo aangeschoten dat hij het meeste direct weer vergat en het dan nog maar een keer vertelde en vroeg. Maar dat gaf niets. We verstonden trouwens toch maar de helft van wat hij zei en hij waarschijnlijk nog minder dan de helft van wat wij zeiden. Maar hij was lief en hartelijk en zorgzaam en hij nam hartverwarmend afscheid alsof we oude vrienden waren.
Ik hoop wel dat we hem eerder terug zien dan hij wenste. Want dat zou betekenen dat hij ondanks al die biertjes die wij geweigerd hebben veilig thuisgekomen is.



















P.S.: de nieuwsbrief/blog van maart staat online op mijn website, met een nieuwe favorietroman (nu in de winkels!) en ander schrijfnieuws

Genieten vanaf de eerste pagina

Heb ik hier eigenlijk wel verteld dat Trammelant op het platteland inmiddels echt verschenen en overal te koop is? Ik geloof van niet. Excu...